dinsdag 8 november 2011

Recente dansgeschiedenis, Jeroen Fabius

Jeroen Fabius bespreekt het werk van 4 choreografen, nl Trisha Brown, Pina Bausch, Kazuo Ohno en William Forsythe. In hun werk is sprake van een omkering van het kijken naar het lichaam in de dans. Een omdraai van intentie naar attentie; toegepast op het lichaam, het snijvlak tussen kunst en leven.

Deze 'postmoderne' beweging is geinspireerd door John Cage, een Amerikaanse avant-gardecomponist en een van de grootste vernieuwers van de klassieke muziek uit de 20e eeuw. Volgens Cage kan elk geluid muziek zijn. In zijn boek 'Silence' beschrijft hij dat stilte een concept is, in plaats van een reeele ervaring. In de stilte hoor je de geluiden van de omgeving. Verrassende, onvoorspelbare geluiden. Ook in zijn 'prepared piano' komt deze onvoorspelbaarheid naar voren; er werden allerlei voorwerpen tussen de snaren van de piano bevestigd, waardoor het resultaat niet te voorspellen viel. Het gaat hierbij om de ervaring, om het hier en nu.

In de dans wordt deze ommezwaai van intentie naar attentie op het lichaam toegepast. Het doel is niet langer een representatie te laten zien van de werkelijkheid, maar een ervaring op zich. Het idee van Descartes,waarin er een scheiding bestaat tussen lichaam en geest, wordt losgelaten. Het lichaam kan zelf denken en reageren op impulsen. De ervaringen van de dansers, hun lichamelijke uitingen, worden meegenomen in het 'bedenken' van het stuk, waarin veel ruimte is voor improvisatie.

Het lichamelijk denken en het gebruik maken van de ervaringen van de dansers zelf kwam ook naar voren in de colleges van Carolien Hermans en Nita Liem (helaas zag ik hier weinig van terug in de dansvoorstelling 'Take it to the Bridge'). Jeroen Fabius bespreekt hun 'voorlopers', beginnende bij Trisha Brown, een beroemde choreografe uit het postmoderne tijdperk. Haar dansstukken zijn sterk gericht op de lichamelijke ervaring; het proces in het lichaam van de danser. Haar stijl is vernieuwend, evenals haar muziekkeuze. Haar werk toont verwantschap met minimal art. In plaats van een barokke setting, zien we alleen de dansers, gekleed in zwart/wit, tegen een donkere achtergrond. Vanuit de improvisatie reageren zij op elkaar.

Ook Pina Bausch, een Duitse choreografe, betrekt haar dansers bij het maakproces. Bij haar staat de vraag centraal: 'wat beweegt iemand' in plaats van 'hoe beweegt iemand'? Haar voorstellingen liggen op het snijvlak van dans en theater. In haar voorstellingen gaat het over menselijk gedrag en identiteit.

Kazuo Ohno (Japan) liet zijn publiek kennismaken met de expressieve Japanse dansvorm Butoh. Culturele invloeden staan centraal in zijn werk. Via Butoh wilde Kazuo zich afzetten tegen de traditioneel esthetische dansstijlen. Butoh geeft de donkerte van leven en dood weer, 'the unseen forces that inhabit the flesh'.
Butoh dansers zijn te herkennen aan hun wit geschminkt gelaat, rode lippen, zwart omrande ogen, vrouwenkleding en de krampachtige houding van hun handen.


Last but not least: William Forsythe, met een indrukwekkende dansvoorstelling, genaamd 'One flat thing reproduced', waarin dansers in mooi op elkaar afgestemde kleuren, op, voor en met tafels dansen. De geluiden weergalmen in de hoge hal. Er is gebruik gemaakt van een verzameling coordinaten waarmee beslissingen worden vormgegeven. Daarnaast is er veel ruimte voor improvisatie. De dans wordt gezien als een zelf-organiserend principe, waarbij je van tevoren niet weet wat er gaat gebeuren.

De belangrijkste overeenkomsten tussen de vier choreografen zijn het vertrouwen op de lichamelijke intelligente, de oncontroleerbaarheid en de decentralisatie (het is niet langer alleen de choreograaf die de voorstelling bestuurd). Het gaat om de beweging, om de interactie tussen de dansers, om de onvoorspelbaarheid.

Op www.danstijd.slo.nl vond ik onderstaand stukje over de postmoderne dans. Ik vind het met name interessant omdat het de ontstaansgeschiedenis weergeeft van de postmoderne dans, het hoe en het waarom.

Merce Cunningham, de aanstichter van het danspostmodernisme, leefde in een wereld waarin grote wereldoorlogen uitgevochten waren. Waarin het verkeer sterk in opkomst was: straten vol met auto’s was tot dusver onbekend. Het gevolg daarvan, de files en niet weten of je op tijd zal aankomen op de plek van bestemming, was een nieuw fenomeen. De wereld was niet meer naar jouw hand te zetten: iedereen moest mee in de ‘draaimolen’. Daarom was het toevalprincipe dat Merce Cunningham in zijn dans hanteerde dus geen toeval!
De choreografen van de moderne dans, levend in een dramatische wereld van oorlog en armoe, maakten sterk dramatisch getinte dansstukken,
De revolutionairen zetten zich daar tegen af en verklaarden dat dans ‘puur om de beweging gaat'.

1 opmerking: